
DICK TUINDER
--------
GARK PYDOE
Sing snarkend
o flinsterdom!
drempel hemel,
sing snarkend,
zonne tepel;
gark pydoe,
gark padasz!
Wieee de boes,
Wieee de boesz!
Hang na rekel,
drink lust en
metsel gier;
gark pydoe,
gark pajadah!
In hokselbond,
joenait de zool!
meerendal de bel,
feier het getuig
in sommendom;
gark pydoe,
gark, gark.... Snaterzang!
Hoe!
--------
FABROES DE WALGDEBIEL
Int Finsterwald verboomd de Walgdebiel.
Springschokkend schatert hij: "Fabroesz!"
De zwompe riezen bruizen knak en vlieden
naar de sip-sop achtertrap van Walg.
Kettingwander poloneert het, fluisterdoof mishoofd,
maar om de tigste zwalkverstap een braak: "Fabroesz!"
De riezen blikken aangewortelt - rijpwaai zalft het Finsterwald
het zwachtelding verdoofd.
"Fabroesz!" zwiedt het door de rateltakken,
kris kras parend met het vogeldom.
In de blaardrap sjassen, sjis, sjis, sjassen
de wedervaste regenjassen.
De walgdebiel roteert
en knikstaart naar de achterplas: "Fabroes?"
Een zachte woens vervliet en sopt de wind
die riezen, torenhoog, de droom laat dromen van een kind.
ONDERGANG
In kleur verschoten rammeldingen,
ta-boemende saiberklucht,
naast het hart verwelken de seringen
in ontbloemende heb-hebzucht.
Schenkeldroesem schaadt de gever
knaagt een rakel in het vroom
de Spiritol loert vanuit de lever
opt ruïnement der droom.
De Volgelingen van Sjass Monoes
Sjass Monoes, hij ratelt flinkerbel:
"Ravaas, ravaas, ravaas!"
Schinkel hel de rinkelboem en trompen pret;
"Ravaas, komraden, ravaas!"
Fluisterhopend woest meersjerend:
"Waarts het vort, ravaas!
Die tseit is da, kom raden;
Ravaas den knots en knekelsla, ravaas!"
En Sjass Monoes hij zoent de vis van Utopijn;
"Ravaas?", stommompelt hij; "Saraav!"
Maar, Oh, gestouwd het rauw karbouwenhoofd,
den brauwenluifel vakuwem in vet gezoofd
vormt stuitenloze rijen.
"Ravaas, komraden" schinkelt het
vanonder talloos vette pet
en strompelstormend volgt het krooft
want heinde waant het ginderdom,
dat Sjass himself ooit zag beloofd!
Dat Stille Wissen
Die Natoer wacht en schieft geen brau,
grottendust tot stof verblindend sissen,
't wiet van stimmenstom altezaam genau;
die Natoer wacht en weet dat stille wissen.
Die Natoer wacht, pinselpeinzend zondernaam,
onbewikt, verderwegend, stemmingsloos, ontdacht,
ist die Natoer alom immer en eender aangenaam
Kent geen tijden, dag of nacht, ruist zacht
wacht, wacht, wacht en weet dat stille wissen.
En als aant firmament de twinkelster zielend winkt,
en de loedsje met goudkleur op de riezen klopt,
en al het wollen in 'n suffe vogelkop verzinkt,
Dan is daar 't stille wissen in verstopt.
"Ut schijnseld twissen 't zilvren kledderzwerk"
--------
FINSTERWOENS
Des riesen gastensjatten spieden schichtig in 't morfsel,
als had de noen nooit te nimmer afgedagt
over knispers en statrappen van losbandig korfsel
langs nebenriezen, wezenwikkend door de negazon vernacht
Zwijmend heucht de sjimmer schichtig dark.
Wevend zwerk dwaaldroomd an der nebeltraum
Stoertig, onverzaagd, de Riesen, stark,
nerven horten smuchtend van een weite baum.
Tsjip priet pie tsjip met silbertoon beklingelt
hut veerkoperen fladderkarriljon
de somberdrang die finsternis bedingelt
Forwärts! met zijn sjatten bateljon.
Sjoesh! und Zwoerd verhies de broem!
einmahl noch; wirt 't flusterhof vernacht
tot mit wispertraumend sjattenmoen
den finsterwoens liebevolles wirt volbracht
--------
TEUTENS¹ UBOENG
³We were always Now and Many-one
and Everywhere in the Nothingness of All.²
ramon dos santos, the mental mask
Ons wassus alweg jets en veelgefaast,
En immeral int niksigdom van heel.
En niksniet issur neffer nieteending,
En neffer issur nietsvaniets een deel.
Vakuem van galm likt de koele stee
dur eigen sjatten smakkend schraal,
en pinselt int verbleekte dusterfens
kwetsdecaden vannun kranke taal.
Ut schrijnen doet de klankenroos
In plotse loetsje ont-koeleuren.
Niksniet issur neffer nieteending,
Ent futurum zallur nooit gebeuren.
Oh Musica Incignito! Per sempre
schitterstralend in Silentio!
Waksend in een gruwelzwam van vlees,
alweg jets en al en multiveel gefaast:
Tisniks dan sjimmendust en eriedom,
wat Teuten¹s botte sikkel aast.